“Hoe is’t met mijn babietje” zei een zware stem. Ik keek op. Je hoort ook niet elke dag Nederlands in de Brusselse tram. Bovendien was wat hij zei en hoe hij het zei ook wel speciaal. Wie zegt dit en tegen wie zegt hij dit?

Recht voor mij zat een man van om en bij de 40. Langs de ene kant zag hij er uit alsof hij in die vuile gang in Brussel Centraal slaapt. Een dikke paarse onderlip die langs de ene kant nog wat lager hangt dan aan de andere. Een groot hoofd dat duidelijk al heel wat heeft meegemaakt. Warrig halflang halfgrijs haar en wenkbrauwen, Jacques Brel stijl. Een grote zwarte leren jas die zijn beste tijd heeft gehad. Maar langs de andere kant een propere jeansbroek, sneakers en een mooie trui. Ik kreeg er geen vat op. Ik kon hem niet plaatsen.

Zijn stem was zwaar, maar warm. Beheerst, maar met emotie. Mooi eigenlijk. Hij sprak tegen zijn telefoon over babietje, treintje nemen, nog een keer slaapjes doen, pizzatje eten met de papa. Ik keek regelmatig op. Zijn blik stond op oneindig. Zijn telefoon lag strak in de hand. Zijn stem was warm en zijn ogen blonken. Ik probeerde me voor te stellen me hoe moeilijk het moet zijn om een vrouw en een kind te hebben die je niet meer hebt. Die je even mag lenen 1 weekend op 2.

Nog lang nadat hij had opgehangen bleven zijn ogen blinken terwijl hij vooruit staarde. Ik kreeg er geen vat op, maar ik had medelijden. En ik kon hem nog steeds niet plaatsen. Al hoeft dat niet altijd. Niet iedereen past in een vak.