Toen ik ’s morgens de trein opstapte zette ik me neer tegenover 2 jonge meisjes van een jaar of 15. Ze praatten niet met elkaar, maar ze hoorden wel samen. Ze hadden allebei een A4-blad voor hun neus waarin ze diep aan het studeren waren. Het ene meisje had er geen moeite mee. Zij keek eerst even naar het papier, dan naar boven met halfgesloten ogen en bewoog zachtjes met haar lippen terwijl ze de woorden in stilte opzegde. Het andere meisje had opgedroogde modder aan haar laarsjes. Ze keek ook naar het blad, en ook haar ogen gingen toe. Zij bewoog haar mond niet. Enkel haar hoofd zakte naar beneden. In een oncomfortabele slaap.

Op mijn eerste pendeldag van Brussel naar Gent 4 weken geleden zat ik tegenover deze 2 meisjes. Ze zijn me bijgebleven. In de hoop van er een verhaaltje over te kunnen schrijven. Want dat concludeerde ik na die eerste dag werken. 4 uur per dag pendelen, geeft een zee van tijd. Lezen, observeren, nadenken, schrijven. 4 weken later heb ik veel gelezen, veel geobserveerd, veel nagedacht en toch ook wel al wat geschreven. Nooit over de 2 meisjes. Dat stelde ik uit. Ik schrijf graag over praktische dingen. Dingen waar ik iets vanaf weet. Van deze meisjes wist ik niets, en ik was bang dat ik ze zou vergeten. Maar ze bleven mij wel bij, en daar ben ik blij om. Ik schrijf ook wel graag over andere dingen, waar ik niet genoeg over weet. Over mensen, over vriendschap, over liefde, over emoties noem maar op. Maar meestal heb ik het moeilijk om me eraan te zetten. En plots lukt het wel. Nu. Plots schrijf ik 2 zulke stukjes achter elkaar. De man van gisteren moet een diepe indruk hebben nagelaten. Bedankt, man met de fonkelende ogen. Het ga je goed.

Het is een kort stukje, maar meer zou niet beter zijn. Bijna draaide dit op een blogpost over school en motivatie en feesten als tiener en mezelf. Maar gelukkig niet. Kort is goed. Ik heb me kunnen inhouden. Het gaat over haar.