Ik zou willen weten vanwaar ze komen en waar ze naartoe gaan. Al die anderen die dezelfde richting uitgaan als ik. Ik zou oogcontact willen maken, om het in hun ziel te kunnen lezen. Ik zou het hun willen vragen, even het raam opendraaien. En meegenieten van hun avonturen. Of lachen met hun grappen. En als er dan iemand droevig is, dan wil ik troosten. Luisteren naar hun verhaal. Zeggen dat het allemaal in orde komt. Ik zou hun tranen willen drogen met knuffels.  

Want eigenlijk zijn we altijd onderweg. Van de ene plek naar de andere. Waar we dan niet eens de tijd nemen om stil te staan. We kijken wel maar we zien niet. We luisteren wel maar we horen niet. We denken wel maar we onthouden niet. We zijn er wel maar eigenlijk al ergens anders.

Ik kom van bij familie en ga terug naar huis. Waar ga jij naartoe?

 

Dingen waar ik aan denk als ik ’s avonds/nachts langs de E40 rij.